Kwetsbaarheid en ego
Laten we het hebben over kwetsbaarheid. We worden alleen en kwetsbaar geboren en gaan alleen en kwetsbaar over de grens van leven en dood. Daar tussendoor proberen we onszelf te handhaven door een stevig ego op te bouwen. Het ego is in die zin dus de beschermer van de kwetsbaarheid; het puur menselijke.

Hoe sterker het ego, hoe minder kwetsbaar. Mensen met zo’n sterk ego lijken onaantastbaar, maar dat is in feite een illusie, omdat er maar iets hoeft te gebeuren en de verborgen kwetsbaarheid komt weer te voorschijn.
Het onverwachte lijden door middel van een ziekte, een ongeluk of andersoortige malheur  is een soort mokerslag voor het ego, een bewustzijnsschok. Hoe dikker de opgebouwde muur hoe harder de slag moet zijn.

Zoals nu met de verspreiding van een virus dat van de een op de andere dag alle zekerheden tot schijnzekerheden reduceert. Geen tanks of bommen kunnen zo’n minuscuul virusje tegenhouden. 
Angstige mensen gaan hamsteren, de economie -die altijd maar moet groeien- komt knarsend tot stilstaand, onaantastbare bedrijven blijken toch failliet te kunnen gaan en de beurzen storten in. Mensen annuleren hun vakanties in verre landen en stappen niet meer in een vliegtuig.  
Het economisch model van eeuwige groei, van nooit genoeg, gaat volledig voorbij aan wat de aarde nodig heeft aan aandacht en zorg. Het is een ziekelijk eenrichtingsverkeer van uitbuiting dat vroeg of laat ter verantwoording wordt geroepen.

Dus het bijkomstige voordeel van de huidige crises is niet te onderschatten: het milieu is de lachende derde en vaart er wel bij. 

Zorgdragen voor de ziel
Het ego is nodig, maar daarnaast kun je ook bewust je kwetsbaarheid verzorgen. Zorgdragen voor de ziel om die levend te houden, de kwetsbaarheid niet zien als een zwakte maar juist als een kracht.
In feite is het makkelijker om een muur op te bouwen rond je ware zelf, zodat je daar verder geen aandacht aan hoeft te besteden en alle energie kunt richten op het welslagen in de wereld, of om je daar blijvend achter te verschuilen en de wereld buiten de deur te houden.
(Hoog)gevoelige mensen worden maar al te vaak meewarig bekeken als wat zwakke en onevenwichtige mensen die teveel op zichzelf gericht zijn. Zij staan dichter bij de ziel en hebben moeite om zich te verhouden met de buitenwereld.
Het ego is niet alleen maar slecht, het is een soort ruimtepak voor de sensitieve ziel om in de materialistische wereld rond te lopen. Zonder zo’n pak kun je al snel geen adem meer halen en breekt de paniek los.
 

Je kunt dus een muur opbouwen om je achter te verschuilen of het juiste aarde-pak aan te trekken wat de ziel nog laat leven en de mogelijkheid biedt om ook in de wereld wat te betekenen.
Steeds weer gaat het om het vinden van de middenweg: een ego wat sterk genoeg is voor de aardse opdracht, maar soepel genoeg om zijn ware zelf niet te verloochenen.
Dat zijn dan mensen die de wereld de juiste richting op kunnen sturen, omdat ze in twee werelden kunnen leven en het beste van die werelden kunnen samenbrengen. Ze zijn in staat om de mens centraal te stellen. Egoïsme daarentegen is een losgeslagen ego(los van het-zelf) dat alleen nog bezig is zichzelf te versterken en uit te vergroten. Altruïsme is het tegenovergestelde en heeft te maken met belangeloosheid: niet met mijn belang eerst en dan… heel misschien de ander. Het heeft te maken met naastenliefde, het belang van de ander niet uit het oog te verliezen.

De zin van het lijden is: de mens uiteindelijk weer terug te brengen bij zijn ziel, bij het-zelf. Overvloed en welbehagen is het heilige doel van de strevende en onbewuste mens. Blijkbaar is het behaaglijke wentelen in overvloed slecht voor het welzijn van de ziel en ook voor de aarde. De ziel en geestmens heeft hele andere voeding nodig. Het gaat daar om begrippen als: te-vrede, stilte, liefdevolle aanwezigheid en het waarnemen van de noden van de medemens.

Ontkenning als beschermer
In het vorige hoofdstuk werd het leven en het lijden als synoniem aan elkaar beschreven. Dat wekte ook wel wat weerstand op, omdat het lijden ook een sterk motief is van de christelijke godsdienstleer waar veel mensen zich nu juist van bevrijd hebben. Die het lijden ook gebruikten om het volk onder de duim te houden. Die een hel creëerden waar al het lijden in ondergebracht werd.
In spirituele kringen daarentegen wordt het lijden maar al te graag ontkent als niet bestaand: het is een gebrek aan bewustzijn om je te laten beïnvloeden door het lijden. Er is alleen maar licht en in dat licht verdwijnt het lijden. 
Iets ontkennen wat bestaat, dat iedereen kan waarnemen zonder daarvoor bepaalde vermogens te hoeven hebben is raadselachtig. De oplossing van dat raadsel is angst en/of onverschilligheid, maar tegelijkertijd is het ook een natuurlijke vorm van zelfbescherming. Iets waar je de draagwijdte niet van kunt overzien even op afstand houden.

Denk hierbij ook aan de klimaatontkenners die zonder te knipperen met hun ogen beweren dat het een verzinsel is. Die er politiek gewin bij willen spinnen om het domweg te ontkennen, ook al is het voor iedereen zichtbaar. Ontkenning is in die zin, de politiek van een struisvogel die zijn kop in het zand steekt, omdat het daar niet bestaat. Of van een kind die zijn ogen dicht doet en de angst inboezemende wereld buitensluit als niet bestaand. Vluchtelingenstromen niet tot een oplossing willen brengen, maar denken dat hekken die mensen tegen zullen houden. Zolang ze niet voor de deur staan, er aan voorbij kijken en de verantwoording laten bij de landen waar ze het eerst aanspoelen. Zolang je het ontkent ben je niet verantwoordelijk om er iets mee te doen.  
Zo is meestal ook de eerste reactie op een onheilstijding van de arts, het volledig te ontkennen, omdat het te zwaar is om toe te laten. 

De wereld is zo klein geworden dat werkelijk alles wat er gebeurd ook ons aangaat. Het probleem van de ander is ook ons probleem. Als ze het oerwoud kappen, heel ver weg, zullen de gevolgen daarvan ook ons raken. Als er een oorlog uitbreekt slaan de mensen op drift en komen onze kant uit. Als we onverschillig blijven ten aanzien van de armoede en ellende elders, en onze rijkdom niet willen delen komen ze het zelf halen. Als de zeeën en oceanen dichtslibben van ons plastic en al het leven doodt, blijft ook dat niet zonder gevolgen. Als er een nieuw virus opduikt aan de andere kant van de wereld is het veel eerder bij ons dan we ons ook maar konden voorstellen.
We kunnen dan blijkbaar maar twee dingen doen: Het enorm uitvergroten, zoals de media dat doen, die angst en paniek zaaien, of het tegenovergestelde: het bagatelliseren tot iets kleins dat eigenlijk niets voorstelt.

De Middenweg
De juiste weg is meestal de middenweg:
1. Het is een probleem en het bestaat. 2. Wat kan je er aan doen om het lijden te verlichten. 3. Hoe voorkom je om lam geslagen te worden door angst en daardoor tot niets meer in staat. Angst is een soort wurggreep,  angst is vaak erger dan de kwaal.
Als het duister bestaat moet je niet het duister bestrijden maar het licht versterken. Als het virus rondwaart ontken het niet, neem de juiste voorzorgsmaatregelen en richt je vervolgens volledig op gezondheid.
Louis Pasteur, grondlegger van de biochemie, schijnt op zijn sterfbed gezegd te hebben: “De gastheer is bepalend of hij ziek wordt of niet, niet de microbe.” Met andere woorden: bestrijd niet de microbe maar versterk je conditie en vergroot je immuniteit door gezonde voeding en een gezonde leefwijze. Verder accepteren dat het leven zijn eigen loop heeft en dat angstvallig verzet niet helpt.

Verbroederen
Een noodsituatie haalt altijd al het slechte of juist het beste in de mens naar boven. Mensen die er alles aan doen om hun eigen hachje te redden, ook al gaat dat ten koste van anderen. In noodsituaties worden echter ook de helden geboren, de barmhartigen en de onbaatzuchtige hulpverleners.
Een mooie bijkomstigheid is dat een gezamenlijk probleem verbroederd. Met zijn allen worden we geconfronteerd met een aanval van buiten die voor iedereen hetzelfde is: rijk, machtig of arm, het maakt niet uit. Met elkaar het probleem het hoofd zien te bieden, dat maakt onze eenheid weer levend en zichtbaar. Maar dan wel de kwetsbare ouderen niet wegzetten, maar met elkaar beschermen. Niet zoals sommigen beweren: dat  het een natuurlijke bijstelling is, omdat de mensen veel te oud worden. Waar of niet waar; het is een onbarmhartige veronderstelling om de onverschilligheid te camoufleren.

Omdat leven en lijden een universeel thema is en velen heeft geïnspireerd om het bestaan te doorgronden, wil ik graag de overdenkingen en/of conclusies van een paar grote geesten uit de geschiedenis aanhalen, om het begrip nog beter te kunnen begrijpen.

Boeddha en het Boeddhisme 
Het thema van het lijden heeft alle grotere geesten bezig gehouden en iedereen heeft op zijn of haar manier geprobeerd er een juiste verhouding mee te krijgen. Zoals Prins Siddharta, de latere Boeddha:

Zijn vader bouwde drie paleizen en Siddhartha Gautama, bracht al zijn tijd door binnen de hoge muren van het paleis. Binnen de muren werd al het menselijk lijden, zoals ouderdom en armoede voor hem verborgen. Zo gingen de eerste 29 jaar van zijn leven voorbij. Na 29 jaar ging hij echter diep nadenken over het leven en wilde zien hoe het echte leven buiten het paleis was. Stiekem ging hij ’s nachts de stad in, samen met zijn bediende. Tot zijn grote schrik zag hij een oude man, een zieke man en een dode man. Omdat hij door zijn beschermde opvoeding nog nooit een oude, zieke of dode man had gezien, vroeg hij zijn bediende om uitleg. Hij kreeg te horen dat alle mensen oud worden, ziekten oplopen en doodgaan. Ook zag Siddhartha Gautama een monnik voorbijlopen. De bediende legde uit dat het een monnik was die vrijwillig zijn bezittingen had opgegeven en een leven van eenvoud leidde, gericht op spirituele ontwikkeling. Kort daarna verliet Siddhartha het paleis en zijn familie en ging hij leven als een monnik in de bossen van India.

Hij studeerde bij twee zeer bekende en gerespecteerde meesters en bekwaamde zich snel in hun leer. Hij vond echter dat deze geen oplossing boden voor het lijden dat hij nog steeds ervoer. Daarom ging hij zijn eigen weg en begon een zesjarige periode van zelfkastijding. Hij leefde ver van de samenleving, alleen in de bossen, at zeer weinig en werd zo mager dat hij bijna overleed.
Na zes jaar kwam hij tot het inzicht dat zelfpijniging niet leidt tot verlichting en het einde van het lijden. Hij vond een middenweg tussen het bereiken van sensueel plezier en de zelfkastijding en besloot te gaan mediteren onder een Bodhiboom totdat hij volledige verlichting zou bereiken óf zou sterven. Hij vond verlichting en kreeg inzicht in het lijden.

De zin of de oorzaak van het lijden
Hij zocht nadrukkelijk niet naar de zin van het lijden, maar naar de oorzaak. Hij ging niet uit van een Godsbeeld die zin had gelegd in het lijden. Als je de oorzaak zou opheffen zou het lijden kunnen verdwijnen. 
Hij ontdekte dat je onkwetsbaarheid maken niet het lijden beëindigt, maar een vorm is van vlúchten voor het lijden. De idee om lijden uit de weg te gaan is, is ook in boeddhistische zin dus onjuist.
Na langdurig onderzoek van zijn geest via meditatie-oefeningen komt hij tot het inzicht dat de mens moet leren met zorg en compassie om te gaan met de existentiële problemen van het bestaan in plaats van met agressie, angst of afweer.

Toenadering of afweer, gebaseerd op angst, zijn de twee mogelijke reacties op pijn. Aan pijn op zich is niets te doen, pijn is een existentieel gegeven. Ook Boeddha werd net als iedereen ziek. Pijn en ziekte horen bij het leven, hebben te maken met de gevoeligheid van het menselijk lichaam. Maar er is een groot verschil tussen pijn en lijden aan pijn.
Wanneer je met afweer of agressie reageert op pijn, dan ontstaat er lijden. Afweer omzetten in toenadering, in toewijding, daar gaat het om in het boeddhisme. Daar waar de niet-verlichte mens lijdt, voelt de verlichte mens compassie. Pijn kan niet opgeheven worden, maar líjden aan pijn wel. De omgang met pijn is voor boeddhisten daarom altijd een graadmeter geweest voor hun voortgang op het spirituele pad.
De kern van het boeddhisme, de zogenaamde ‘vier edele waarheden’ zijn hiermee in principe samengevat: dat lijden bestaat, dat het een oorzaak heeft, dat het kan worden opgeheven en dat er een weg is naar de opheffing van dat lijden.

De vier edele waarheden van Boeddha:
1. Het lijden bestaat
2. Er is een oorzaak voor het lijden
3. De beëindiging van het lijden
4. Het pad dat leidt tot de opheffing van het lijden

Lijden bestaat
Geboorte is lijden ouderdom is lijden, ziekte is lijden, dood is lijden, verdriet en weeklagen, pijn, smart en wanhoop zijn lijden; gevoegd worden bij het onaangename is lijden, gescheiden worden van het geliefde is lijden, niet krijgen wat men wil, is lijden — kortom, de vijf groepen (die het object zijn) van hechten zijn lijden. 
De oorzaak van lijden: Het is de hunkering die wedergeboorte veroorzaakt en welke gepaard gaat met hartstocht en wellust, en welke bevrediging zoekt in dingen, dan weer hier, dan weer daar, namelijk: hunkering naar zintuiglijke geneugten, hunkering naar bestaan, en hunkering naar niet-bestaan.
De beëindiging van het lijden
Het is het volledig doen verwelken en doen ophouden, het opgeven, het laten varen, het loslaten en het verwerpen van deze hunkering.”
Het pad dat leidt naar de opheffing van lijden: 
Het is eenvoudigweg het Edel Achtvoudige Pad, namelijk: juist begrip, juiste gedachten, juiste spraak juist handelen juiste wijze van levensonderhoud, juiste inspanning, juiste indachtigheid, juiste concentratie. 

In het Christendom neemt het lijden ook een grote plaats in. 
De hele christelijke mystiek is gebouwd rond dit thema, denk hierbij aan Christus en de kruisiging. Hij was vervuld van mededogen voor de lijdende mensheid en op het eind wilde hij dat lijden ook zelf ondergaan en ervaren, omdat alleen eigen ervaring werkelijk weten voortbrengt. Dat het lijden direct verbonden is met eenzaamheid bleek uit zijn aanroep: “Vader waarom heeft U mij verlaten?” Het lijden plaats ons als het ware buiten de eenheid en zet ons geheel en al op onszelf, tenminste is dat het overwegende gevoel: ik ben alleen, ik sta er nu alleen voor. Menswording is dus onherroepelijk verbonden met lijden en eenzaamheid.

Het Nieuwe Testament toont een onderscheid tussen lichamelijk lijden en geestelijk lijden, waarbij het geestelijk lijden voorop wordt geplaatst. Jezus geneest weliswaar de zieken, maar de nadruk van zijn werk ligt op de verlossing van het geestelijke lijden.

Rudolf Steiner zegt hierover:
Lijden is een begeleidende bijwerking van de hogere ontwikkeling. Het is onontbeerlijk voor kennis. Eens zal de mens zich zeggen: Ik ben dankbaar voor wat de wereld mij geeft aan vreugde. Maar als ik echter voor de keuze gesteld zou worden, of ik mijn vreugde of mijn lijden wil behouden, zal ik het lijden willen behouden; ik kan haar niet ontberen voor kennis. Elk leed ziet er na een bepaalde tijd uit als iets dat men niet kan missen, want we moeten het beschouwen als iets dat inbegrepen is in de ontwikkeling. Er is geen ontwikkeling zonder lijden, zoals er geen driehoek zonder hoek is.

Ook filosofen hebben zich beziggehouden met de zin en de zinloosheid van het lijden. Onvermijdelijk en onophoudelijk worden we in ons leven geconfronteerd met lijden en dood, twee fenomenen die we van het lijf willen houden. Meestal alleen maar te begrijpen in hun kwaadaardige zinloosheid. Die absurditeit is ook beschreven door de filosofen.
Maar enkelen durfden ook de vraag te stellen naar de mogelijke zin van het lijden en de dood voor het menselijke bestaan.

Schoppenhauer en Nietzsche
Voor Schopenhauer was het duidelijk: het leven bestaat uit lijden. Een lijden dat en obstakel vormt tussen de wil om te leven, een innerlijk mechanisme in de mens, en zijn doel. Omdat er een constante wil tot leven is, is het leven lijden. Alleen volledige ontkenning van de wil tot leven kan het lijden genezen. Hij omarmde het leven dus niet, maar probeerde een uitvlucht uit het lijden te vinden en zag het lijden als de essentie van het leven. Hij onderzocht ook het Boeddhisme waarin hij zijn gedachten erover bevestigd zag.

Friedrich Nietzsche daarentegen zag het boeddhistische idee als een ontsnappen aan het lijden in een omgeving die buiten de wereld ligt. Dit stond lijnrecht tegenover zijn idee dat we het leven, dus ook lijden, moeten omarmen. Ja tegen het leven zeggen!  Het leven is lijden en wil dat ook. Omdat dat niet gebeurde beschuldigde hij het Boeddhisme en het Christendom van nihilisme en decadentie. Of het hem zelf gelukt is om het leven en lijden te omarmen is dan wel weer de vraag?

Bedankt voor de aandacht! Ik wens iedereen gezondheid en medemenselijkheid toe, en wat minder economische voorspoed.
Én…. er is hoop: hoe duister het ook is, uiteindelijk overwint het Licht.
Een teken van hoop
Het licht ontwaakt in het blauw
Nog even volhouden

*NIEUW: VRAAG VAN DE WEEK
*Het bovenstaande artikel is een vervolg op De ondraaglijke kwetsbaarheid van het bestaan. Deel 1
*Ook geplaatst op de Facebook VERWANTENPAGINA voor reactie, aanvulling en verdieping.

(Totaal aantal bezoeken: 1.298, 1 bezoekers vandaag)